De koers is de hoek tussen het noorden en de koersrichting. De koersrichting is typisch 'vooruit', in de richting waarheen genavigeerd moet worden. Tenzij anders aangegeven wordt de koers altijd bepaald ten opzichte van het ware noorden, ook wel ware koers genoemd. Bij gebruik van een kompas moet daarom rekening gehouden worden met de declinatie om de kompaskoers naar een ware koers om te rekenen en andersom.
Koersen worden meestal aangegeven in graden, waarbij 0 graden richting het noorden wijst. Graden verdelen een cirkel in 360 evengrote stapjes, waarbij elk stapje een graad wordt genoemd. Typisch worden graden oostom (OO) genoteerd, dat wil zeggen dat de gradencirkel richting het oosten begint met optellen, met 90 graden richting het oosten, 180 graden richting het zuiden en 270 graden richting het oosten. In het geval graden westom (WO) zijn, is dit typisch expliciet aangegeven: 90° WO is richting het westen, 180° WO richting het zuiden en 270° WO richting het oosten.
Naast graden zijn er ook andere eenheden om koersen in te noteren. De gon verdeelt een cirkel in 400 delen, de mil in (ongeveer) 6400 delen.
In verschillende routetechnieken worden koersen gebruikt om aan te geven welke richting je het pad moet vervolgen. In de meeste routetechnieken wordt één van de volgende twee manieren van koers meten vanaf het huidige punt gebruikt:
De koers tussen twee punten kan op meerdere manieren bepaald worden:
Tenzij anders aangegeven, toont plattekaart koersen altijd ten opzichte van het ware noorden.